NL

Choose your language

VRAGEN? BEL ONS OP 014 34 79 40

Menu

    Strafpleiters en de media: een moeilijke verhouding
    2019/09/11 Balie Provincie Antwerpen Bron: Jubel.be

    Hoe moeten advocaten omgaan met de media? Dat is een vraag waarop niet gemakkelijk een antwoord te formuleren is. Toch nam meester Frédéric Thiebaut de proef op de som tijdens de openingsrede van de Plechtige Openingszitting van de Balie Provincie Antwerpen op 6 september. Hieronder volgt een korte samenvatting. Zijn volledige betoog, inclusief voetnoten, kunt u hier raadplegen. Ook de repliek van stafhouder mr. Schoups kunt u hier op Jubel.be lezen.

    De omgang van bepaalde advocaten met de media zorgt al jaren voor controverse en debat, zowel binnen als buiten de balie. Binnen de balie liggen de standpunten vaak aan de beide zijden van de breuklijn tussen de strafpleiters aan de ene kant en de grote meerderheid van advocaten die zich verdiepen in de andere takken van het recht aan de andere kant. Er wordt de media-advocaten verweten dat ze er een andere soort van deontologie op nahouden en daarmee het imago van de ganse advocatuur bepalen, zelfs schaden. De strafpleiters verdienen echter méér krediet.

    Moeten we zelf niet even in de spiegel kijken en ons afvragen wat ons er dan exact aan stoort? Is het effectief zo dat de tussenkomsten niet in het belang zijn van de cliënt en schenden deze advocaten hun beroepsgeheim? Of is het eerder het verschil in stijl dat stoort? Het is mijn overtuiging dat de strafpleiters, en bij uitbreiding alle advocaten, méér hun opwachting moeten maken in de media, veel meer. Omdat het mijn overtuiging is dat in de huidige tijden de cliënt zich, jammer genoeg, ook buiten de rechtszaal moet kunnen laten verdedigen.

    Deel 1: trial by media is helaas realiteit

    In theorie is het eenvoudig: het strafonderzoek is geheim, er wordt door iedereen gezwegen tot wanneer een onderzoek is afgerond, het vermoeden van onschuld wordt door iedereen gerespecteerd, de advocaten pleiten de zaak voor de rechtbank en alleen daar, en tot slot spreekt de rechter zijn oordeel uit. De pers brengt daarover verslag uit en informeert. Dat lijkt duidelijk. De theorie voorziet immers restricties genoeg voor iedereen.

    Ik wil er helemaal geen theoretische uiteenzetting van maken, maar ik breng u toch graag een aantal bepalingen in herinnering. Zo is er artikel 458 van het Strafwetboek dat de schending van het beroepsgeheim bestraft, er zijn de artikelen 28quinquies en 57 van het Wetboek van Strafvordering inhoudende het principe van het geheim van het onderzoek en er is het misbruik van inzagerecht dat strafbaar wordt gesteld in artikel 460ter van het Strafwetboek. En laat ons evenmin de klassieke misdrijven van laster, eerroof, belediging en kwaadwillige ruchtbaarmaking uit het oog verliezen.

    Deze restricties zijn echter niet opgewassen tegen nieuwsgierigheid en sensatie, vermomd onder het recht op informatie. U hoeft de kranten maar open te slaan of een nieuwsuitzending te bekijken om dagelijks vast te stellen dat er zaken worden gepubliceerd, die men enkel kan weten omdat érgens iemand het beroepsgeheim heeft geschonden. Maar de hoofdverantwoordelijkheid van de zogenaamde perslekken en de trial by media bij de advocaten leggen is een brug te ver. Valt het niet op dat journalisten over informatie beschikken afkomstig uit een lopend strafonderzoek, nog vóór de betrokken partijen of hun raadslieden het dossier al hebben kunnen inkijken? Ook het openbaar ministerie gaat niet altijd vrijuit.

    En uiteraard is er ook de rol van de media zelf.  Van hen wordt verwacht het recht op de privacy te respecteren, hoewel er al veel inkt gevloeid is over het meedelen van bijvoorbeeld de identiteit van de verdachte. En wat is er met het vermoeden van onschuld gebeurd? Of we dat nu aangenaam vinden of niet, de rechtspraak van het Europees Hof geeft aan dat van zodra de zaak enig belang heeft, verdachten identificatie en commentaren in de media moeten tolereren. Het recht op een eerlijk proces komt hierdoor, aldus Straatsburg, niet in het gedrang. De nevenschade van de berichtgeving moeten verdachten er maar bij nemen.

    We kunnen ons er dan wel allemaal proberen tegen verzetten, maar de trial by media is een feit en het zal er niet op verbeteren. We moeten de realiteit onder ogen durven zien. In onze overgemediatiseerde samenleving komt het er dus op aan om al veel vroeger tegengewicht te geven, bijvoorbeeld in de fase van het onderzoek. Daarin is een rol weggelegd voor de balie, een rol die we op dit moment te weinig opnemen.

    Deel 2: als advocaten mogen we veel, behalve van onszelf

    De tijd dat advocaten moesten wegblijven uit de media wegens het absolute verbod op publiciteit, ligt gelukkig al lang achter ons. Het Europees Hof koestert de expressievrijheid van de advocaat, zowel binnen als buiten de rechtszaal, maar zegt ook dat de advocaten er rekening moeten mee houden dat hun centrale positie in de rechtsbedeling deze vrijheid van meningsuiting niet onbeperkt maakt. De wet staat ons bovendien uitdrukkelijk toe om te communiceren, zelfs al in de onderzoeksfase, onder meer op voorwaarde dat de regels van het beroep worden nageleefd. 

    Nu bestaat er een reglement van vier artikelen, en maar liefst 20 subartikelen, waarvan de meeste eerder overbodig, andere in de praktijk moeilijk werkbaar zijn. Zo wordt bijvoorbeeld verwacht dat je als advocaat steeds kennis neemt van de tekst alvorens je je medewerking verleent aan geschreven pers, wat in huidige snelheid waarmee nieuws op de websites moet verschijnen vrijwel onmogelijk is. Het reglement is dus geen hulpmiddel in deze moderne mediatijden, integendeel.

    In 2015 was er even hoop en werd nog tevergeefs getracht het reglement te wijzigen, zodat het principe om zich te onthouden van alle commentaren zou worden verlaten. De aanpassing kwam er echter niet. De discussie over dit reglement leeft nog steeds voort. Rechtsonzekerheid dus, en dat komt niemand ten goede. Wat hebben we aan een reglement wanneer het niet of nauwelijks wordt gehandhaafd? Als u het mij vraagt mag er best een nieuw mediareglement komen. Met de basisbeginselen van artikel 455  van het gerechtelijk wetboek, namelijk waardigheid, kiesheid en rechtschapenheid,  schiet men ook al een aardig eind op. Graag een beknopt reglement dat weinig ruimte laat voor interpretatie. Een reglement dat gehandhaafd wordt, door een eenduidig én consequent vervolgingsbeleid. Een reglement dat niet de visie van het zwijgen benadrukt, maar wel die van het spreken.

    Deel 3: bezorgdheden

    De allereerste oefening die elke advocaat moet maken is of de tussenkomst in de media het belang dient van de cliënt. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is het actueel niet. Een tv-programma als ‘De Rechtbank’ heeft bijvoorbeeld de verdienste dat het aan televisiekijkend Vlaanderen laat zien wat er op een rechtbank gebeurt. Deze openheid klemt echter met het individuele belang van zij die voor de rechter moeten verschijnen.

    Wanneer ik oproep tot meer advocaten in de media zijn het niet deze programma’s waar ik enthousiast van word. Er zijn andere momenten waarin de tussenkomst van de advocaat wel echt nodig is. Bij het bekend worden van een dossier kan jíj diegene zijn die in de plaats van de cliënt zijn standpunt verkondigt: zo scherm je de cliënt af en bescherm je hem. Je kan sereen op de barricades staan wanneer de cliënt de mogelijkheid niet heeft om zich persoonlijk in het publiek te verdedigen, of wanneer het onverstandig zou zijn dat hij dat zelf zou doen. Je kan ook off the record een meerwaarde zijn voor de cliënt. Het zal elke keer opnieuw de oefening vragen van de advocaat.  Zo is de ene zaak de andere niet. In bepaalde dossiers kunnen de woorden “ik geef geen commentaar” zeer verstandig zijn. In andere zaken kunnen dezelfde woorden overkomen alsof je iets te verbergen hebt en laat je de kans schieten om iets positief over de cliënt te zeggen.

    Een tweede bezorgdheid is de kwaliteit van onze tussenkomsten. Uitlatingen in de pers kunnen zware gevolgen hebben en vereisen de grootste zin voor verantwoordelijkheid.   Het minste wat we mogen verwachten is dat ze op niveau zijn. Er is niets zo dramatisch voor de cliënt als een slecht interview of een commentaar die totaal anders overkomt dan hij bedoeld was. Daar moeten we vaststellen dat de balie nog veel te leren heeft, vooral als het over televisie-interviews gaat. Waarom geen handleiding maken voor de jonge advocaten zodat zij, in de verschillende mogelijke contacten die er met de pers zijn, een houvast hebben?

     

    Dit is slechts een beknopte samenvatting van de openingsrede van meester Frédéric Thiebaut, vennoot bij Thiebaut & Claes Advocaten, tijdens de Plechtige Openingszitting van Balie Provincie Antwerpen op 6 september 2019. Zijn volledige betoog, inclusief voetnoten, kunt u hier raadplegen. Ook de repliek van stafhouder mr. Schoups kunt u hier op Jubel.be lezen.